Wapen van Vlokhoven  
 
Empty
Capita Selecta
Empty
Empty
 
Empty

Capita Selecta

Intrekking artikel 2:403 BW-verklaring bij bedrijfsopvolging


Bij groepsmaatschappijen wordt vaak gewerkt met een geconsolideerde jaarrekening onder het afleggen van een zogeheten artikel 2:403 BW-verklaring waarbij het hoofd van de groepsmaatschappijen zich hoofdelijk aansprakelijk stelt voor de schulden van de dochtermaatschappijen. Bij verkoop van die dochtermaatschappij zal die aansprakelijkheid ingetrokken moeten worden door nederlegging van een daartoe strekkende intrekkingsverklaring ten kantore van het handelsregister. Dan blijf je echter nog wel zitten met de restaansprakelijkheid voor schulden van de dochtermaatschappij die voor de intrekking zijn aangegaan. Je kunt echter een mededeling van voorgenomen intrekking bij het handelsregister neer leggen en daarvan aankondiging doen in een landelijk dagblad. Als dan vervolgens gedurende twee maanden geen verzet wordt gedaan door enige crediteur, dan vervalt ook deze restaansprakelijkheid.

In dit verband verwijs ik naar een uitspraak van Rechtbank Rotterdam waarin de verkoper vanwege de afgelegde en abusievelijk niet ingetrokken artikel 2:403 BW-verklaring aansprakelijk werd gehouden voor de schulden van haar voormalige dochter die nota bene jaren daarvoor was verkocht.

In de zaak van het Hof Amsterdam (OK) d.d. 12-01-2010 (JOR 2010/94) was het nog bonter. De oude moedermaatschappij werd aansprakelijk gehouden op de voet van de niet ingetrokken artikel 2:304 BW-verklaring voor -nota bene- schulden van de verkochte dochter aan haar nieuwe zustervennootschappen, die natuurlijk goed op de hoogte waren van de nieuwe situatie en van het feit dat niet-intrekking van de artikel 2:403 BW-verklaring op een vergissing van de verkoper berustte.

Gelukkig is het Hof Amsterdam (OK) in haar uitspraak d.d. 30-09-2010 (JOR 2010/306) op haar visie teruggekomen.

Het Hof heeft de beschikking van Rechtbank Rotterdam vernietigd. Zij heeft bepaald dat er sprake is van een situatie waarin vaststaat dat de voormalige moedermaatschappij sinds de overdracht van de Vennootschap aan de koper geen gebruik meer heeft kunnen maken van de 403-verklaring. Van dit gegeven waren de koper en de nieuwe zustermaatschappijen op de hoogte, gelet op het bestaan van de personele unie. Het Hof heeft vervolgens in r.o. 3.13 overwogen:

"Een redelijke en op de praktijk toegesneden wetstoepassing die recht doet aan de aard en strekking van de 403-verklaring brengt alsdan met zich mee dat moet worden vastgesteld dat intercompany vorderingen niet onder de reikwijdte van de door JLL afgegeven en gedeponeerde 403-verklaring vallen en dat BosGijze c.s. niet zijn aan te merken als schuldeisers voor wier vorderingen nog ten laste van JLL aansprakelijkheid loopt in de zin van artikel 2:404 lid 5 BW."

De OK overweegt vervolgens dat haar oordeel echter niet met zich meebrengt dat intercompany vorderingen nimmer vorderingen kunnen zijn waarvoor een 403-verklaring dan wel restaansprakelijkheid kan gelden.

Voorzichtigheid is dus zonder meer geboden waar het vorderingen van derden op de uitgevaren dochter betreft, maar zelfs ook waar het vorderingen van nieuwe zustermaatschappijen van de uitgevaren dochter betreft. Mogelijkerwijze is immers van belang dat de directie van de koper en de directie van de betreffende zustermaatschappijen in het laatstvermelde, door het Hof Amsterdam behandelde geval uit dezelfde personen bestond. Waar van een dergelijke personele unie geen sprake is, kan het oordeel ook voor wat betreft vorderingen van nieuwe zustermaatschappijen wel eens slecht uitpakken voor de oude moedermaatschappij.